Francis Picabia (1879 – 1953)

Francis Picabia was een Franse beeldend kunstenaar. Hij wordt gezien als één van de actiefste wegbereiders naar de moderne kunst toe in het begin van de 20e eeuw. Picabia wisselde tijdens zijn loopbaan zeer vaak van stijl. Impressionistisch, fauvistisch en dadaïstisch, figuratief en abstract, er is bijna geen stijl die hij niet heeft beoefend.
Picabia was nauwelijks 15 jaar oud, toen zijn vader zijn eerste doek Une rue aux Martigues instuurde naar de Parijse Salon des Artistes Français. Het jaar daarop schreef Picabia zich in aan de Ecole des Arts Décoratifs, maar het was in de Ecole du Louvre en de Académie Humbert dat hij Georges Braque en Marie Laurencin ontmoette.

In 1897 ontdekte hij het Impressionisme van Alfred Sisley en in 1898 werd zijn enthousiasme nog groter, toen hij kennismaakte met de familie Camille Pissarro. Het werd het begin van een uitbundig vruchtbare werkperiode, die 10 jaar lang zou aanhouden en resulteerde in honderden lumanistisch gestemde doeken. Een eerste expositie, in 1905, in de Galerie Haussmann was meteen een triomf.

Toch begon Picabia geleidelijk te twijfelen aan de esthetische waarden, die tot dan zijn successen hadden bepaald. Vooral de ontmoeting, in 1908, met Gabrielle Buffet, zijn toekomstige vrouw, zou zijn breuk met het Impressionisme bespoedigen. Hij werd gefascineerd door de Abstracte Kunst, maar evengoed het Kubisme als het Fauvisme interesseerden hem. Zijn werken als Caoutchouc en Les Régattes, uit 1909, getuigen hiervan.

De voor zijn carrière beslissende ontmoeting was deze met Marcel Duchamp, in 1911, waarbij hij opgenomen werd in de Puteaux-groep en zich al gauw met hem verzette tegen het analytische Kubisme van Albert Gleizes en Jean Metzinger. Kort daarop, in oktober 1912, kwam de eerste expositie van de Section d'Or in de Galerie La Boétie. Van januari tot mei 1913 verbleef Picabia in New York als woordvoerder van de groep.

Het New Yorkse succes en de geestdrift in de Amerikaanse kunstkringen, samen met de stimulans van de Franse dichter-essayist Guillaume Apollinaire brachten hem, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in de roes van het nieuwe Orphisme met inbreng van de bekende mécanomorfe elementen.

Toen de oorlog uitbrak, werd de te Parijs gemobiliseerde Picabia, in 1915, naar Cuba op missie gestuurd. Het jaar daarop vond hij Marcel Duchamp en zijn vroegere vrienden terug en werd hij betrokken bij de uitgave van een avant-garde tijdschrift 291. Een tijdlang legde hij zelfs het penseel opzij en publiceerde hij de eerste van zijn Cinquante-Deux Miroirs te Barcelona, in 1917.

Gezondheidsperikelen brachten hem naar Zwitserland, waar hij in correspondentie kwam met Tristan Tzara, de bekende animator van het Dadaïsme te Zürich. In maart 1919 kwam Picabia terug naar Parijs, gevolgd door Tzara. Nauwelijks 6 maanden later had Dada Parijs overrompeld met wansmakelijke manifestaties en een zowel artistieke, als literaire, als politieke revolte. Mécanomorfe werken volgden elkaar op, met onder andere l'Enfant carburateur in 1919, en Pompe à Combustible in 1920.

391 was aan zijn 14de nummer toe, toen Picabia zich van Dada verwijderde, in mei 1921. In juli van dat jaar publiceerde hij het nummer Pilhaou-Thibaou, dat een regelrecht anti-Dada-manifest werd. Terzelfdertijd benaderde hij André Breton, de paus van het Surrealisme.

Dit Surrealisme ging hij ontwikkelen in Mougis vanaf 1924, waar hij tot in 1940 bleef wonen. Daar ontstaan onder andere zijn Monstres, Relâche en een film Entr'acte met René Clair.

In 1945 kwam hij definitief terug naar Parijs, samen met Olga Mohler, met wie hij in 1940 was getrouwd. Zijn jongste werken noemde hij Sur-irréalisme en hij exposeerde ze, in 1946, bij Denise René. In 1949 organiseerde de Galerie Drouin een belangrijke retrospectieve van zijn werken. De catalogus ervan was getiteld 491.

Veel van zijn werk was geïnspireerd door bestaand beeldmateriaal. Zo knipte hij bijvoorbeeld onderdelen voor schilderijen uit handboeken voor technici of monteurs. Ook schilderde hij foto's na. Ook citeerde hij onbekommerd uit de geschiedenis van de westerse kunst. Picabia wordt vanwege de mengeling van stijlen, het ontbreken van een onderscheid tussen kunst en kitsch, en zijn hergebruik van bestaand materiaal wel opgevoerd als voorloper van de postmoderne kunstenaars.